Schiedam scheepsbouwstad


Door de eeuwen heen kreeg Schiedam haar nijverheid en industrie toegeschoven door ‘grote buur’ Rotterdam. Dat was het geval in de achttiende eeuw, toen als gevolg van de stilgevallen wijnimport uit Frankrijk de productie van jenever opgang maakte en Rotterdam uit oogpunt van brandgevaar en stankoverlast de distillateurs liever kwijt dan rijk was. En dat gold eveneens aan het begin van de twintigste eeuw voor de werven die door de sterke toename in scheepsafmetingen met ruimtegebrek te kampen hadden. Beide bedrijfstakken kwamen vervolgens in Schiedam tot grote bloei, wat de stad welvaart bracht. Maar terwijl de destilleerderijen en molens in de monumentale binnenstad worden gekoesterd, zijn er van het veel recentere scheepsbouwverleden aan de oevers van de Nieuwe Maas nauwelijks nog sporen terug te vinden. Van de drie grote scheepsbouwbedrijven die in tien jaar tijd in Schiedam neerstreken, Gusto (1905), De Nieuwe Waterweg (1914) en Wilton (1915), resteert enkel van laatstgenoemde werf nog erfgoed dat dateert uit de gloriejaren. Het is de voormalige timmerfabriek van Wilton Fijenoord uit 1948 die tegenwoordig dienst doet als kantoorgebouw van GustoMSC (Marine Structure Consultants), een ingenieursbureau dat actief is in de offshore en met haar naam de herinnering aan die andere grote Schiedammer scheepswerf in ere houdt.

Midden negentiende eeuw probeerde Schiedam nog wel met de ontwikkelingen in de scheepvaart bij te blijven door haar havenactiviteiten uit te breiden. In 1846 was er een plan voor een zijtak van de spoorlijn vanaf station Schiedam naar het havengebied, aansluiting gevend op een door de H.IJ.S.M., de Hollands IJzeren Spoorweg-Maatschappij, in te stellen stoombootdienst Schiedam – Harwich.

Nadat duidelijk werd dat Schiedam stevig voor de kosten van aanleg zou moeten opdraaien verdween het plan in de la. De uitbreidingsplannen werden nog lang vanuit de bestaande havens bedacht met de ‘Voorhaven’ als entree. Zo werd in 1860 de ‘Westerhaven’ (plus ‘Houthaven’) gegraven. Deze heeft brede kaden, maar was voor zeeschepen door toename van de scheepsgrootte en grotere diepgang niet geschikt. Ook de sluis aan de ‘Voorhaven’ was daarvoor te smal.

Via veel plannen maken en overleg voeren werd in de tweede helft van de negentiende eeuw lieverlee duidelijk dat voor havens waar zeeschepen konden afmeren insteekhavens vanaf de Nieuwe Maas nodig waren. In 1898 werd in het Oost Frankenland de ‘Oosterhaven’ gegraven, later onderdeel van de ‘Merwehaven’. Een haven die Rotterdam – na de annexatie van dat gebied – aanlegde. De aan het terrein van Gusto liggende kade werd door de werf benut als afbouwkade.

Met de grond, die vrijkwam door het graven van de Rotterdamse Waalhaven werd begin twintigste eeuw het gorzengebied tussen ‘Voorhaven’ en ‘Vijfsluizen’ opgespoten (‘Sterrebos’). In 1909 was het werk gereed en ging Schiedam beschikken over uitgestrekte bebouwbare terreinen gelegen aan diep vaarwater. Het zwaartepunt van de scheepsbouwactiviteiten lag dan niet langer bij de werven langs de binnenhavens maar bij de zich vestigende reuzen op dat terrein in het gebied aan de Nieuwe Maas. De Firma A.F. Smulders verwierf in 1901 grond en vestigde er de ‘Werf Gusto’ vlak naast het door scheepswerf  ‘De Nijverheid’ verlaten terrein. Later kocht Gusto die grond er bij.

Nadat de ‘Wilhelminahaven’ was gegraven vestigde zich daar de scheepswerf ‘Nieuwe Waterweg’, dochteronderneming van ‘Furness Scheepvaart en Agenturen’ (later werden de aandelen aan de ‘Rotterdamse Droogdok Maatschappij’ verkocht). Vervolgens werden de ‘Wiltonhaven’ en ‘Vijfsluizenhaven’ gegraven en vestigde zich er de werf ‘Wilton Fijenoord’. Schiedam zou decennia lang de scheepsbouwstad van Nederland bij uitstek zijn.

Bron: Historische Vereniging Schiedam / ‘Scyedam 30e jaargang nr. 2 mei 2004
Tekst: Siem Rosman / fabriekofiel.nl / Scheepsbouwmuseum.nl


Scheepsbouwmuseum.nl 2021

Laatst bijgewerkt op: 13 september 2021